Het zou nog tot bijna het jaar 1900 duren voordat de watervoorziening via leidingen in een stroomversnelling kwam, en daarmee ook het aantal waterleidingbedrijfjes. In de jaren '20 van de vorige eeuw waren de meeste stedelijke regio’s aangesloten op de waterleiding.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog had bijna driekwart van alle Nederlandse huizen schoon, stromend water. Rond 1960 was op een enkele boerderij na, heel Nederland voorzien van kraanwater.
De rol van de overheid
Het drinkwater en de verdeling ervan was vroeger in handen van burgers. Later werden gemeenten en provincies eigenaar. Daardoor was het mogelijk de kwaliteit van het water te controleren. Toen in Nederland voor het eerst kraanwater werd gebruikt, was er geen kwaliteitsgarantie en er was geen controle op de betrouwbaarheid van het water.

Pas in het begin van de twintigste eeuw begon de regering in te zien dat het heel belangrijk is dat iedereen goed drinkwater heeft. Toen nam de overheidsbemoeienis met de kwaliteit en beschikbaarheid van kraanwater toe.
Eerste waterleidingwet in 1957
Pas in 1957 kwam de eerste Waterleidingwet tot stand. Sindsdien hebben de Rijksoverheid en de Europese Unie zich steeds meer met kraanwater en de verdeling daarvan bemoeid. Je kunt nu dus wel zeggen dat kraanwater het best bewaakte voedingsmiddel van Nederland is.